Paul van Hooff naar Tokio

Motorfietsjournalist en voormalig redacteur van MotoDrive Magazine Paul van Hooff reist op zijn oude MotoGuzzi naar Tokyo. MotoPort ondersteunt en volgt Paul gedurende zijn reis.

Volg Paul tijdens zijn reis op youtube, facebook en website guzzigalore.

11080495_10152813656276973_152479649585638188_o

Ijzige kou en falende bankpas

MD-2_pag_48-69-KORR-5

Het derde verslag van de grote reis naar Tokio, Paul van Hooff rijdt in de winter van Amsterdam naar Tokio. Na een zonovergoten rit door Kroatië komt hij door extreem koud weer twee weken vast te zitten in een Servisch restaurant

Als de veerboot uit Italië in Split aanmeert, kijk ik vanaf het achterdek over de haven uit. Het is een mooie, zonnige ochtend. Havengeluiden klinken in de verte. Een half uurtje later rij ik de buik van de boot uit met mijn zomertenue aan, zonnebril op. Via de Balkan wil ik naar Turkije rijden en heb me op de ergste kou voorbereid. Maar de kuststrook langs de Egeïsche zee is na honderd kilometer toeren nog altijd zonovergoten. Nog nooit ben ik in dit gedeelte van Europa geweest en ik laat me verrassen door de pittoreske haventjes, dorpjes en de goed onderhouden kustweg. De Guzzi doet wat hij moet doen, het mooie ronde, pompende geluid kalmeert me. Ik passeer dorpjes als Jesenice, Trogir en Podgora. Op een of andere manier lijken ze allemaal een beetje op elkaar. Dat is, hoewel de zon schijnt, tegelijk ook mijn enige bezwaar, erg verrassend is deze kustweg in Kroatië niet. Ik overnacht in Dubrovnik, de stad die halverwege jaren negentig in puin werd geschoten door de marine van Servië. Nu knallen er ’s avonds alleen wat rotjes.

Zomerhandschoenen
Ook in Montenegro blijven de zomerhandschoenen aan. Gemiddeld is het vijftien graden boven nul. Met zijn 600.000 en nog wat inwoners is Montenegro een van de minst bevolkte landen van Europa. Ik blijf een paar dagen in de hoofdstad Podgorica. Het lijkt hier Amsterdam in de jaren zeventig wel. Het is er zo rustig dat het me op een of andere manier benauwt. Ik bestudeer de kaart en besluit om via Kosovo naar Griekenland te reizen. Servië zal ik links laten liggen. Om in Kosovo te komen, moet ik de bergen in. Volgens de weerberichten gaat het koud worden. Eindelijk. Heb zin in sneeuw. Een beetje afzien op de motor vind ik niet erg. Dat hoort er nou eenmaal bij. Pas in Rusland, zo weet ik, moet ik echt aan de bak. Bij de plaats Rozaje moet ik afslaan en dan is het nog maar dertig kilometer naar de grens van Kosovo. Ik krijg waar voor mijn geld. Het begint te sneeuwen en hard ook. Ik proef het zout op mijn lippen. Soms heb ik het zo koud dat ik me in een of ander lokaal winkeltje boven een kachel moet opwarmen.

Verkeerde afslag
De highways in Montenegro zijn op twee handen te tellen. Toch krijg ik het voor elkaar om die ene afslag naar Kosovo te missen en sta ineens voor de grens met Servië. Ik laat me leiden door de omstandigheden. Dit is er dus een, dan maar naar Servië. Niet ver van de grens vind ik bij de plaats Tutín een goedkoop motel met een restaurant. Met de eigenaar Murat raak ik al snel bevriend en besluit een paar dagen te blijven. In die paar dagen slaat het weer volledig om: van koud naar ex-treem koud, tot zelfs dertig graden onder nul. Twee weken lang kan ik niet weg en zit ik opgesloten in Murats motel/restaurant. Nog nooit eerder heb ik het zo koud gehad en voor het eerst begin ik me af te vragen of een reis op de motor door Rusland in de winter wel zo’n goed idee is. Als ik ’s nachts bij min dertig een pan met kokend water in de lucht gooi, zie ik een wolk van kristalletjes. Dan zien Murat en ik dat er op die ene donderdag een mogelijkheid is om dit gedeelte van Servië te ontvluchten. Daarna gaat het weer sneeuwen, wordt het nog kouder en zit ik weer een week vast. Ik waag het erop en in één dag rij ik naar de grens van Bulgarije.

Onaangename verrassing
In de hoofdstad Sofia besluit ik door te rijden. ’s Nachts stamp ik in de vrieskou naar Turkije, verscholen achter vrachtwagens. Ik heb zin in dit land. Zo’n twintig jaar geleden was ik hier ook en heb er alleen maar goede herinneringen aan overgehouden, maar eenmaal bij de grens aangekomen, kom ik voor een onaangename verrassing te staan. Mijn bankpas doet het op een of andere manier niet meer en ik heb geen euro’s op zak om de 25 euro voor het visum te betalen. De Turkse grenswachten willen alleen contant geld. En zo kan het gebeuren dat ik na een nacht doorhalen op de motor nog eens vijftien uur in de sneeuw moet wachten. Men wil me zelfs terugsturen naar Bulgarije. Joost Ruigrok, een Nederlandse vriend, regelt uiteindelijk online een visum voor me en dan pas kan ik door. Ik ben een beetje geschrokken door het gebrek aan enige empathie aan de Turkse grens. Om iemand te laten bevriezen voor 25 euro gaat me wat ver. Rillend van de kou rij ik Turkije binnen, geen cent op zak. Op het moment dat ik me afvraag hoe het nu verder moet, komt een bestelbusje naast me rijden. De chauffeur wenkt me. Even later is de Guzzi ingeladen en rij ik samen met mijn weldoener, de Georgiër Gia, in een keer door naar Tblissi, de hoofdstad van Georgië. Turkije heb ik gezien vanachter het raam van een bestelbusje.

Bekijk meer foto's

Eerder verschenen verhalen Paul in MotoDrive Magazine:

Van hier tot Tokio▼

Bedevaart naar Mandello▼

Tel je zegeningen▼

tokyo-street-cr-getty